Het zijn de joden wel...
T’en zijn de joden niet, Heer Jesu, die u cruysten
, dichtte Jacobus Revius. Nee, hij was het zelf, want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.
In de kerkgeschiedenis heeft eerder het tegengestelde de boventoon gevoerd. Vaak zijn de joden aangeklaagd en belaagd, omdat zij Jezus lieten kruisigen. Er waren méér redenen. In het vroegchristelijke geschiedwerk van bisschop Eusebius komen er vier naar voren.
Eusebius van Caesarea (ca. 263-339) staat bekend als de vader van de kerkelijke geschiedschrijving. Omstreeks het jaar 324 rondde hij zijn tiendelige Kerkgeschiedenis af. Stilistisch is het boek geen juweel. Toch is het een indrukwekkend boek: bijzonder is dat het opent met een paragraaf over de pre-existentie en goddelijkheid van de Redder, die de wording van de kerk bepaalde.
Het is ook een belangrijk boek, want het bevat een schat aan oude, niet anders bewaard gebleven bronnen in de vorm van lange citaten en mondelinge overlevering. In wat Eusebius beschreef zien we de kerk zich snel ontwikkelen, proeven we de energie die haar bezielde. Zijn boek geeft ons een beeld van vervolgingen, martelingen en kerkscheuringen. Het eindigt met de vrede die keizer Constantijn haar schenkt.
Christusmoordenaars
Als het gaat over de joden slaat Eusebius heel andere tonen aan. Niet vanaf het begin: hun
wet werd beroemd en doordrong elke hoek van de wereld. Die werd er beter van. Christenen mogen dan een jong volk zijn, de Hebreeën - die benaming gebruikt Eusebius voor deze fase vaker dan joden
- werden gerespecteerd vanwege hun lange verleden. Eusebius claimt dat christenen dezelfde godsdienst praktiseerden als aartsvader Abraham.
De joden begingen echter de fout Jezus niet als de Messias te erkennen. Keer op keer laat Eusebius het verwijt doorklinken dat zij hem gekruisigd hebben. Het lijden dat hen overkomt, is meer dan verdiend. God wreekt het lijden en de dood van zijn Zoon. Dit is een klassiek
verwijt geworden, dat de eeuwen door is opgerakeld om de joden het vuur aan de schenen te leggen.
Christenvervolgers
De ellende voor de joden, zo benadrukt Eusebius, begón in de tijd van Pilatus. De joden komen in zijn Kerkgeschiedenis echter niet alleen maar voor als Christusmoordenaars, ze waren ook fanatieke christenvervolgers. Na Jezus’ dood beraamden zij veel samenzweringen tegen zijn leerlingen.
Treffend is dat Eusebius de ondergang van Jeruzalem in het jaar 70 niet alleen koppelt aan Jezus’ dood, maar ook aan die van zijn broer Jacobus de Rechtvaardige, de eerste bisschop van Jeruzalem. Hij werd door joden van de tempel naar beneden gegooid, gestenigd en met een knuppel doodgeslagen.
Als bisschop Polycarpus van Smyrna ca. 156 na Christus door de Romeinse gouverneur tot de brandstapel wordt veroordeeld, verzamelt de massa hout en takken. Eusebius schrijft dat de joden zoals gewoonlijk meededen, enthousiaster dan wie dan ook.
Ongezeglijk
Eusebius vertelt ook hoe de christenfilosoof Justinus in Efeze de discussie aangaat met Trypho, een vooraanstaand joods geleerde. Twee punten brengt hij volgens Eusebius naar voren.
Allereerst verwijt hij de joden dat zij feitelijk messiaanse passages uit de Schriften wegsnijden.
In de tweede plaats stuurden zij boodschappers naar alle windstreken om te waarschuwen tegen de goddeloze sekte van de christenen.
Joden verminken dus het Oude Testament en bovendien dwarsbomen zij de voortgang van het evangelie.
Verkeerde voeding
In een inleiding op een Engelse editie van Eusebius’ Kerkgeschiedenis vergelijkt G.A. Williamson hem met de profeet Elia, die ijverde voor zijn God. Williamson constateert dat hij geobsedeerd was door de ideeën van wraak en goddelijke gerechtigheid.
Die keren zich niet uitsluitend tegen de joden: ketters en scheurmakers krijgen ook hun beurt. Toch kan het niet verbazen dat het beeld dat Eusebius als gezaghebbend geschiedschrijver van de joden neerzet, viervoudig voeding heeft gegeven aan jodenvervolging.
C.M. van Driel
Verbonden jrg. 69 nr. 1 (2025-01)
www.kerkenisrael.nl/verbonden