Onze Vader...


Jezus leerde zijn discipelen God in het gebed aan te spreken als Vader. Daarom bidden christenen tot op de dag van vandaag Onze Vader, die in de hemelen zijt...


In christelijk Bijbelonderwijs en prediking wordt daarover regelmatig gezegd dat deze intieme manier van aanspreken van God uniek is voor Jezus. Het is dankzij Hem, zo wordt dan gezegd, dat we God niet alleen als Schepper, Heer en Koning mogen aanspreken, maar ook als Vader.

Joodse gebeden

Toch blijkt Jezus niet alleen te staan in het aanspreken van God als Vader. Dit gebeurt in heel veel meer vroegjoodse gebeden uit ruwweg de tijd van het Nieuwe Testament. We vinden daar voorbeelden van in de Dode Zeerollen en in boeken als 3 Makkabeeën, alle geschreven vóór het begin van onze jaartelling.

In de Hebreeuwse tekst van de slotpsalm in Wijsheid van Jezus Sirach (ca. 180 v.Chr.) verwijst de dichter naar een gebed in nood: Ik verhief mijn stem tot de Heer: U bent mijn vader, verlaat mij niet op de dag van mijn nood, nu niemand mij tegen hoogmoedigen helpt. (Sir. 51:10).

Ook in de Talmoed vinden we gebeden tot God als abba, Vader (zie bijv. b. Taan. 23b). Tot op de dag van vandaag is het binnen het Jodendom niet uitzonderlijk God als Vader aan te spreken, bijvoorbeeld in het gebed Avinoe Malkenoe onze Vader, onze Koning, dat tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer gebeden wordt.

Tegenoverstelling

Dat Jezus met het aanspreken van God als Vader iets nieuws deed, klopt dus niet. Toch is die gedachte in christelijke kring wijdverbreid. Dit is symptomatisch voor een breder voorkomend fenomeen in christelijk Bijbelonderwijs: Jezus wordt tegenover zijn volksgenoten geplaatst. Dit gebeurt op allerlei manieren, het beperkt zich niet tot gebed. Dat is tenminste wat Amy-Jill Levine laat zien in haar bijdrage in het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen (2024).

Karikatuur

Zo’n tegenoverstelling is om meerdere redenen problematisch. In de eerste plaats maakt het van het jodendom een karikatuur. Dat geldt niet alleen bij het voorbeeld dat ik hierboven heb uitgewerkt, maar ook bij de voorbeelden die Levine bespreekt.

In de titel van haar bijdrage verwijst zij naar het negende gebod, dat er positief gezegd op neerkomt dat je je naaste recht moet doen. Daar ligt precies het probleem van karikaturen: die doen de naaste geen recht.

De Joodse Jezus

Een Jezus die uniek is en zich op allerlei manieren van zijn volksgenoten onderscheidt, is om nog een reden problematisch. Want in feite is dit een ontjoodste Jezus. Juist het christelijk belijdenis dat Jezus waarlijk mens geworden is, dat Hij deel is geworden van de menselijke geschiedenis, maakt dat zijn menselijke gestalte ín die geschiedenis ertoe doet, dus ook zijn identiteit als Jood.

Het Jood-zijn van Jezus is theologisch gezien geen toeval. God is zijn weg begonnen met Abraham en het volk dat uit hem voortkwam. Het Nieuwe Testament plaatst Jezus nadrukkelijk in die geslachtslijn. Gods beloften uit de Tenach worden werkelijk­heid in Jezus. Een Jezus die tegenover zijn volksgenoten wordt geplaatst, een ontjoodste Jezus, doet de heilsgeschiedenis geweld aan en maakt Jezus los van de weg van Gods beloften.

Pleidooi

Het mag duidelijk zijn welk pleidooi ik hier wil voeren: waak er in christelijke Bijbeluitleg en prediking voor om Jezus tegenover zijn volksgenoten te plaatsen. Jezus was uniek in dat Hij Gods Gezalfde is, de Messias. In heel veel andere opzichten was Hij niet anders dan zijn volksgenoten. Bijvoorbeeld dus in het gebed, waarin Jezus net als zijn mede-Joden God op intieme wijze aansprak als Vader.

(Marco Rotman is lector Het Joodse karakter van het NT aan de CHE)

M. Rotman
Verbonden jrg. 70 nr. 1 (2026-01)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden
A R T I K E L
N U M M E R